afstellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstellen
stelde af
afgesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

afstellen

  1. overgankelijk regelbare parameters zo kiezen dat een toestel voor een bepaald doel gereed is
    • We hebben de verwarming op 21 graden afgesteld. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.