afsteken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ste·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsteken
stak af
afgestoken
klasse 4 volledig

Werkwoord

afsteken

  1. overgankelijk door insteken van bijvoorbeeld een spade een hoeveelheid materiaal verwijderen
    Hij heeft de rand van het perkje keurig afgestoken.
  2. inergatief een groot contrast geven
    Die kleur stak sterk af bij de achtergrond.
  3. overgankelijk doen ontbranden
    Hij wilde een lucifer afsteken, maar het was te winderig.
  4. overgankelijk een redevoering, zang of preek ten gehore brengen
    Hij begon een scheldpartij af te steken, maar de voorzitter belette hem dat.
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iemand de loef afsteken.
Iemand te snel of te slim af zijn.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie