afsponsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·spon·sen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afsponsen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsponsen
sponste af
afgesponst
zwak -t volledig
  1. schoonmaken met een spons
    • De testpersonen bleken er de meest extreme afwasmethoden op na te houden, van het afsponsen van de borden onder voortdurend stromend, heet water, tot systemen met vier verschillende kuipen water (een om te weken, een voor een `voorwas', een voor de echte afwas met detergent, en een voor het afspoelen). [2] 
    • Tussen verzorging en bewaking bestaat geen dunne lijn. Ook geen dikke, er is helemaal geen lijn. Wie ooit in een ziekenhuis heeft gelegen weet er alles van. Die lieve verpleegsters die je de sonde en de zetpil inbrengen, je met een geduldig gezicht temperaturen en je 's ochtends teder afsponsen, ze verzorgen je en ze bewaken je. Probeer maar eens zelfstandig naar het toilet te gaan. Voor je het weet klopt ze op de deur: niets ontsnapt haar wakend oog. [3] 
    • Wanneer haar geklaag mij te gortig wordt, opper ik voor haar een officiële verblijfsvergunning aan te vragen. De gedachte aan een van staatswege verstrekte inburgeringscursus, waarin men leert boerenkool met worst te bereiden, staat haar maghrebijnse ziel dermate tegen dat zij welgemoed het afsponsen der bidets hervat. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 26 DECEMBER 2003 Kim De Rijck Feestvreugde zonder afwasleed
  3. NRC Anil Ramdas 23 juni 2003 De bewaakten
  4. NRC Claudine Taittinger 31 december 2005 'Ons Stundenhotel faciliteert heimelijke liefde'