afsplitsing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·split·sing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afsplitsing afsplitsingen
verkleinwoord afsplitsinkje
afsplitsingetje
afsplitsinkjes
afsplitsingetjes

Zelfstandig naamwoord

afsplitsing v

  1. afscheiding
    • Vooral in de protestantse kerken kent men een rijke geschiedenis van afsplitsingen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be