afspiller

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Deens

Woordafbreking
  • af·spil·ler
Naar frequentie 18115
Woordherkomst en -opbouw
  • Deense werkwoordsvorm met het voorvoegsel af-

Werkwoord

afspiller

  1. tegenwoordige tijd van afspille