afspanning

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

afspanning
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·span·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afspanning afspanningen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afspanning v [2]

  1. een hek of andere afrastering die een bepaald gebied afsluit
    • Er werd onder meer een afspanning voorzien van minstens twee meter hoog met daarop een draad van 50 centimeter in een terugslag naar binnen. Er werd ook een draad in de grond voorzien zodat de hond zich niet kan uitgraven. [3] 
  2. verankering met behulp van touwen en kabels
    • Op het toneel monteert Gengis van Gool, Zwitser met een Nederlandse opa, zijn Rad des Doods. Een act met risico. In de afspanningen zit teveel speling naar zijn zin. „Ich glaube, es wird gefährlich hier”, zegt de twintigjarige luchtacrobaat wiens tante in de allereerste Cascade aan de trapeze hing. Ik maan hem geen dolle dingen te doen. [4] 
  3. gelegenheid waar trekpaarden rust krijgen en bevrijd worden van hun leidsels en waar de koetsier en passagiers iets kunnen gebruiken
    • Meer dan een halve eeuw later krijgt de frêle waardin van café De Afspanning rode wangen bij het horen van de naam van de gerenommeerde schilder. [5] 
Synoniemen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen