afspannen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·span·nen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afspannen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afspannen
spande af
afgespannen
gemengd

zwak -d

volledig
  1. een draad strak tussen twee vaste punten laten hangen
    • Die zegt dat zij op een aantal plekken in Feijenoord bovenlangs noodverbindingen heeft laten afspannen: ‘Volgens ons is dat voorlopig voldoende.[2] 
  2. door het op spanning brengen strak maken
    • Wat rest is het afspannen van de hoofdtent, het handmatig opzetten van de luifel en het aanspannen van scheerlijnen.[3] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Volkskrant John Wanders 10 maart 2008 Eerst licht aan, dan pas fouilleren
  3. NRC Anthon Keuchenius 18 november 2002 Een kar in de tent