afsnoepen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·snoe·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsnoepen
snoepte af
afgesnoept
zwak -t volledig

Werkwoord

afsnoepen

  1. overgankelijk iets waardevols stukje bij beetje wegnemen
    • Hij heeft vandaag een puntje van de koploper afgesnoept. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.