afsnijdsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·snijd·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afsnijdsel afsnijdsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afsnijdsel o [1]

  1. restjes die overblijven na snijden
     Is de schnitzel dan soms geboren in de Achterhoek, vroegen Vermeer en co zich af. Veel doet dat vermoeden, want de benaming schnitzel is een verbastering van het Achterhoekse woord voor afsnijdsel, fonetisch: afsnietsel. Zo wordt althans beweerd in een ronkend persbericht van de programmamakers.[2]
     Ik kwam op dit hapje doordat er op de zaak nog wat afsnijdsels van een grote zalmzijde in de koeling lagen.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Rick Aalbers “‘Achterhoek hét schnitzel-epicentrum van de wereld’” (17-12-2018), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron LORRAINE MARLISA “Zalmsalade” (09 nov. 2012), De Telegraaf