afsmeken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·sme·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsmeken
smeekte af
afgesmeekt
zwak -t volledig

Werkwoord

afsmeken

  1. overgankelijk afbidden; nederig om iets vragen
    • Gods zegen over iemand afsmeken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

56 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.