afslaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·slaan
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van slaan met het voorvoegsel af-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afslaan
sloeg af
afgeslagen
klasse 6 volledig

Werkwoord

afslaan

  1. (overgankelijk) iets weigeren aan te nemen
    Hij sloeg een tweede borrel af omdat hij nog moest rijden.
  2. (overgankelijk) door een slaande beweging iets omlaag doen bewegen
    Deze thermometer moet nog afgeslagen worden.
  3. (overgankelijk) een aanval succesvol het hoofd bieden, verdrijven
    De aanval werd echter afgeslagen.
  4. (overgankelijk) bij afslag veilen
  5. (onovergankelijk) zijwaarts gaan
    Hij sloeg naar links af.
  6. (onovergankelijk) ophouden te werken (van motoren etc.)
    De motorfiets sloeg af.
  7. (onovergankelijk) in prijs minder worden
    In de uitverkoop werd de prijs afgeslagen.
Vertalingen