afslaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·slaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afslaan
sloeg af
afgeslagen
klasse 6 volledig

Werkwoord

afslaan

  1. overgankelijk iets weigeren aan te nemen
    • Hij sloeg een tweede borrel af omdat hij nog moest rijden. 
  2. overgankelijk door een slaande beweging iets omlaag doen bewegen
    • Deze thermometer moet nog afgeslagen worden. 
  3. overgankelijk een aanval succesvol het hoofd bieden, verdrijven
    • De aanval werd echter afgeslagen. 
  4. overgankelijk bij afslag veilen
  5. ergatief zijwaarts gaan
    • Hij sloeg naar links af. 
     Nu moet Le Mistral het hebben van die paar oude getrouwen die van de snelweg afslaan.[1]
  6. ergatief ophouden te werken (van motoren etc.)
    • De motorfiets sloeg af. 
  7. overgankelijk in prijs minder worden
    • In de uitverkoop werd de prijs afgeslagen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be