afschuwelijkers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schu·we·lij·kers

Bijvoeglijk naamwoord

afschuwelijkers

  1. partitief van de vergrotende trap van afschuwelijk
    • Dat is iets afschuwelijkers...