afschuw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schuw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afschuw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afschuw m

  1. hevige afkeer
    Haar gezicht was vertrokken van afschuw.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl