afschrikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·schrik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afschrikken
schrikte af
afgeschrikt
zwak -t volledig

Werkwoord

afschrikken

  1. overgankelijk doen weggan door angst aan te jaren, door angst aan te jagen bepaald gedrag voorkomen
    • Het wild werd afgeschrikt door de geur van de jagers. 
    • De puber werd afgeschrikt door het vooruitzicht nog een jaar bij zijn ouders te moeten wonen en ging dus maar hard blokken voor zijn eindexamen want dan kon hij volgend jaar op kamers om te studeren. 
  2. overgankelijk (scheikunde) (materiaalkunde) het bijzonder snel afkoelen van een heet voorwerp door het in een koelvloeistof te dompelen
    • De ampul met het gevormde sulfide werd uit de oven genomen en afgeschrikt in ijswater. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie