afscheuren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·scheu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afscheuren
scheurde af
afgescheurd
zwak -d volledig

Werkwoord

afscheuren

  1. ergatief door een scheurbeweging van een groter geheel losraken
    • Als ze die plaat daar zo laten hangen scheurt er vanzelf een stuk af. 
  2. overgankelijk met een scheurbeweging losmaken
    • Kun je van dat vel nog wat stukken afscheuren? 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.