afrukken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ruk·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afrukken
rukte af
afgerukt
zwak -t volledig

Werkwoord

afrukken

  1. overgankelijk met een ruk iets wegnemen
  2. inergatief het heen en weer wrijven van het mannelijk geslachtsdeel
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen