Naar inhoud springen

afrotten

Uit WikiWoordenboek
  • af·rot·ten

afrotten [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afrotten
rotte af
afgerot
zwak -t volledig
  1. ergatief door een rottingsproces ergens anders los van raken
  2. door een rottingsproces verloren gaan, wegrotten
  3. (dysfemisme) afnokken, aftaaien, ervandoor gaan
55 %van de Nederlanders;
63 %van de Vlamingen.[3]