afromer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ro·mer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afromer afromers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afromer m [1]

  1. iets of iemand die de room van de melk afhaalt
    • Het kaartje met de Belgisch-Limburgse benamingen voor de melkafromer (kaart 4) levert drie synoniemen op: afromer (met de varianten romer en ontromer), melkmachien en écrémeuse. [2] 
  2. (figuurlijk) iets of iemand die het beste ergens vanaf haalt; iemand die de top ergens vanaf haalt
    • "Naast de eigen politici, onze nationale banken, hebben we nu de 'Europese afromers' erbij gekregen", schrijft Frans Piekstra uit Dronten. "Die leggen de rekening van eigen falen neer bij het publiek dat er deel nog part in had." [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.


Verwijzingen