afroep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·roep

Werkwoord

vervoeging van
afroepen

afroep

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afroepen
    • ... dat ik afroep. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be