africhter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·rich·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord africhter africhters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

africhter m [1]

  1. iemand die dieren temt en kunstjes leert
    • Een Duitse scheper die in verscheidene films en op het podium te zien was, zal wellicht niet meer mogen 'acteren', nadat hij een acteur gebeten heeft. ... Een van de africhters van de Duitse scheper zei dat Hetz na het incident 'een beetje was aangedaan' [2] 
    • Todd, een zevenjarige springer spaniël, was op zoek naar drugs in een auto en veld in Preston in het noorden van Engeland, toen zijn africhter, agent Roger Moore, merkte dat de hond er niet te best uitzag. Hij werd naar de intensieve-zorgafdeling voor dieren in de universiteit van Liverpool gebracht. De hond vertoonde symptomen van amfetaminegebruik en overleed. [3] 
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 23 OKTOBER 2007 Bijtende hond mag niet meer acteren
  3. De Standaard 04 AUGUSTUS 2004 DE KLEINE PARADE
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be