afremmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·rem·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afremmen
remde af
afgeremd
zwak -d volledig

Werkwoord

afremmen

  1. overgankelijk de snelheid van iets doen verminderen
    Hij remde de wagen af.
  2. ergatief minder vaart maken
    Optrekken en afremmen.
    De wagen remde af.
  3. overgankelijk, (figuurlijk) verminderen
    Medicijnen tegen een hoge bloeddruk of allergieën kunnen de lust afremmen.
    De te enthousiaste jongen moest door zijn ouders worden afgeremd.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.