afremmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·rem·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afremmen
remde af
afgeremd
zwak -d volledig

Werkwoord

afremmen

  1. overgankelijk de snelheid van iets doen verminderen
    • Hij remde de wagen af. 
  2. ergatief minder vaart maken
    • Optrekken en afremmen. 
    • De wagen remde af. 
  3. overgankelijk, (figuurlijk) verminderen
    • Medicijnen tegen een hoge bloeddruk of allergieën kunnen de lust afremmen. 
    • De te enthousiaste jongen moest door zijn ouders worden afgeremd. 
  4. wederkerend zich afremmen: de snelheid van zichzelf doen verminderen
     Heel voorzichtig nam ik drie stappen om te kijken of het toch mogelijk was om nieuwe treden in de sneeuw te maken, maar bij de vierde stap gleed ik uit en prikte nog net op tijd mijn wandelstok de sneeuw in om me af te remmen.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be