afremmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·rem·men
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van remmen met het voorvoegsel af-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afremmen
remde af
afgeremd
zwak -d volledig

Werkwoord

afremmen

  1. (overgankelijk) de snelheid van iets doen verminderen
    Hij remde de wagen af.
  2. (ergatief) minder vaart maken
    Optrekken en afremmen.
    De wagen remde af.
  3. (overgankelijk), (figuurlijk) verminderen
    Medicijnen tegen een hoge bloeddruk of allergieën kunnen de lust afremmen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen