afraffelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·raf·fe·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afraffelen [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afraffelen
raffelde af
afgeraffeld
zwak -d volledig
  1. iets snel en op een slordige manier afmaken
    • Loop niet even snel bij je leidinggevende binnen om een probleem te spuien. Communicatietrainer Simon Groen: „Hoe spontaan dat ook lijkt, je wil dit gesprek juist liever gewicht geven, en niet in twee minuten afraffelen.” Kondig het dus aan. „En dan niet met een mailtje, want dat kan je manager sneller terzijde schuiven,” tipt Sevinga. Zeker als hij die dag al vier andere mails heeft gehad met een verzoek om ‘even te zitten’. „Spreek je leidinggevende in de wandelgangen aan, dan heb je al echt contact erover gehad.” Bonus: je ziet gelijk aan de lichaamstaal hoe afwijzend (of niet) je leidinggevende reageert, dus kun je je beter voorbereiden op het gesprek.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.

Verwijzingen