afpaling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·pa·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afpaling afpalingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afpaling v [1]

  1. grens
     Ron Brouwer, medewerker van Stichting Het Zeeuwse Landschap, vertelt dat de eendenkooi eigenlijk het hele jaar door een rustgebied is op het toch al rustige eiland Sint Philipsland. Bij de eendenkooi staat een bordje waarop het recht van afpaling staat aangegeven. „Deze kooi heeft een recht van afpaling van 625 meter, gerekend uit het midden van de kooi”, aldus Brouwer.[2]
     Verder bevat het decreet regels over de realisatie van gemeentewegen, de afpaling en het beheer ervan, de verjaring en de voorwaarden voor een vergoeding voor waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Wim van Egdom “Stil en geheimzinnig” (24-02-2003), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink Weblink bron jvh “Nieuw op 1 september: opslag voor half miljoen Vlamingen en hogere banktarieven” (27/08/2019), De Standaard
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be