afpalen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·pa·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afpalen [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afpalen
paalde af
afgepaald
zwak -d volledig
  1. duidelijk aangeven waar het ene eindigt en het andere begint
    • Een citeerzin legt die relatie juist expliciet: door het gebruik van zeggen, de dubbele punt en vooral de aanhalingstekens. Deze laatste geven te kennen dat ze een domein afpalen waarbinnen iemand anders voor de tekst verantwoordelijk is dan de journalist. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen