afnijpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·nij·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afnijpen
neep af
afgenepen
klasse 1 volledig

Werkwoord

afnijpen

  1. overgankelijk afknijpen, afknippen, doorknippen
    • Tijdens de oorlog werden veel telefoondraden afgenepen. 


Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.