afnijpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·nij·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afnijpen
neep af
afgenepen
klasse 1 volledig

Werkwoord

afnijpen

  1. overgankelijk afknijpen, afknippen, doorknippen
    • Tijdens de oorlog werden veel telefoondraden afgenepen. 

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be