Naar inhoud springen

afnamen

Uit WikiWoordenboek
  • af·na·men

deafnamenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord afname
vervoeging van
afnemen

afnamen

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afnemen
    • ...dat wij afnamen. 
    • ...dat jullie afnamen. 
    • ...dat zij afnamen. 
     Ik zou niet durven beweren dat haar geestelijke vermogens afnamen, hoewel ze beweerde last te hebben van hallucinaties en slapeloosheid.[1]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704