afmelden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·mel·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afmelden
meldde af
afgemeld
zwak -d volledig

Werkwoord

afmelden

  1. wederkerend (informatica) de sessie binnen een programma beëindigen
    • Toen hij klaar was met het programma moest hij zich afmelden. 
  2. wederkerend niet langer deelnemen aan
    • Hij meldde zich af van die vergadering omdat hij een andere afspraak had. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.