afmaaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·maai·en
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afmaaien [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afmaaien
maaide af
afgemaaid
zwak -d volledig
  1. het afsnijden van gras of graangewassen
    • De studenten hebben een plan gemaakt voor de aankleding. "Dinsdag zijn we bij de leverancier geweest om planten uit te zoeken", vertelt Thijmen Lubbers. "Op de rotonde bij Kees Smit komen planten in felle kleuren. In het voorjaar moeten we het een keer afmaaien, af en toe met de schoffel er door en dat is het." TV Enschede FM sprak met Lubbers. Beluister dat item hieronder terug. [2] 
    • De bescherming van weidevogels gaat nog veel verder, voor de natuurcoöperatie. „We mogen bijvoorbeeld niet al het gras tegelijk afmaaien”, zegt Vonk Noordergraaf. „Met behulp van mozaïekbeheer zorgen we altijd voor percelen met voldoende lang gras. Daar kunnen de vogels schuilen.” [3] 
    • Koppel het nuttige aan het aangename: kamer stofzuigen, gras afmaaien, taart bakken, boodschappen doen, strijken. [4] 

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen