aflossing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·los·sing
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord aflossing -
verkleinwoord - -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord aflossing aflossingen
verkleinwoord aflossinkje aflossinkjes

Zelfstandig naamwoord

aflossing v

  1. het aflossen
    • Ik zou hem om 8 uur een aflossing geven, zodat hij naar huis kon. 
  2. een bedrag waarmee een schuld wordt afgelost in termijnen
    • Wij doen aan aflossing in termijnen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be