Naar inhoud springen

afloop

Uit WikiWoordenboek
  • af·loop
enkelvoud meervoud
naamwoord afloop aflopen
verkleinwoord afloopje afloopjes

deafloopm

  1. einde
    • Gelukkig had het verhaal een goede afloop. 
     Na afloop liep men in optocht vanuit de kerk langs het pad met de brandende kaarsjes naar het Finlandplein achter de Kerkring, waar het monument ter herdenking aan de slachtoffers van de Watersnood stond.[1]
     Toch fijn dat enkelen die vooraf zo fel en kritisch waren geweest, mij na afloop van de tocht een persoonlijk bericht stuurden om te zeggen hoe mooi ze het vonden dat ik mijn droom achterna was gegaan.[2]
  2. resultaat, uitkomst
    • De gunstige afloop van de cursus leidde tot het behalen van het diploma. 
  3. ontknoping
    • Vroeger was er altijd een goede afloop van een verhaal, tegenwoordig mag een roman een open einde of zelfs een slechte afloop hebben. 
  4. expiratie
    • de afloop van een contract 
  5. afvoerbuis van bijvoorbeeld een lavabo
  6. Rand rond een drukwerk die afgesneden gaat worden
1. Snijlijn van drukwer
2. Afloop
3. Marge binnen het document
vervoeging van
aflopen

afloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflopen
    • ... dat ik afloop. 
     Naast hem staat een vrouw die in de korte tijd waarin ik op haar afloop al drie keer op haar horloge heeft gekeken.[3]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be