afloop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·loop
enkelvoud meervoud
naamwoord afloop aflopen
verkleinwoord afloopje afloopjes

Zelfstandig naamwoord

afloop m

  1. einde
    • Gelukkig had het verhaal een goede afloop. 
  2. resultaat, uitkomst
    • De gunstige afloop van de cursus leidde tot het behalen van het diploma. 
  3. ontknoping
    • Vroeger was er altijd een goede afloop van een verhaal, tegenwoordig mag een roman een open einde of zelfs een slechte afloop hebben. 
  4. expiratie
    • de afloop van een contract 
  5. afvoerbuis van bijvoorbeeld een lavabo
  6. Rand rond een drukwerk die afgesneden gaat worden
1. Snijlijn van drukwer
2. Afloop
3. Marge binnen het document
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aflopen

afloop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflopen
    • ... dat ik afloop. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.