afloeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·loe·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afloeren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afloeren
loerde af
afgeloerd
zwak -d volledig
  1. op een stiekeme, arglistige manier gluren
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[2]


Verwijzingen