aflezer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·le·zer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aflezer aflezers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aflezer m [1]

  1. apparaat dat een kaart kan herkennen
    • Aha, ik er heen. Kaartje er in (welke kant boven? Is er een dubbele aflezer?). Ik moest ƒ 4.50 betalen. Ik begon met twee gulden, daarna de tien kwartjes, maar bij ƒ 1.50 sloeg hij af en kwam mijn kaartje naar buiten. Ik hoorde ook geld vallen, en dat nam ik mee. [2] 
    • "De fraudeurs hebben een manier gevonden om de gegevens van de magneetband op je kaart te kopiëren, net voor je je kaart door de aflezer haalt om je code in te tikken." Dat zegt Yves Randoux, directeur van Cartes Bancaires, de Franse vereniging voor betaalkaartverkeer. Dat gebeurt voornamelijk in benzinestations. De fraudeurs kopiëren de gegevens daarna naar de magneetband van een blanco kaart. [3] 
Synoniemen
Hyponiemen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC van Lennep 18 september 1993 Even parkeren
  3. De Standaard 15 december 2000 FT. Creditcardbedrijven trekken ten aanval tegen fraudeurs
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be