afklimmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·klim·men
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afklimmen [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afklimmen
klom af
afgeklommen
klasse 3 volledig
  1. afdalen waarbij men ook de handen moet gebruiken
    • Ik had bij die benoeming van mijn hoge ladder moeten afklimmen, afstand moeten nemen en moeten beseffen dat het niet iedereen is gegeven thuis te raken in dit vak. [3] 
    • Tijdens de jaarlijkse diploma-uitreikingen blééf Laurens van der Graaff het podium op- en afklimmen; geen docent werd zo vaak door eindexamenkandidaten gevraagd hun 'afscheidspraatje' te verzorgen als hij. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Verwijzingen