afklemmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·klem·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afklemmen
klemde af
afgeklemd
zwak -d volledig

Werkwoord

afklemmen

  1. overgankelijk met een klem de vrije doorstroming of doorgang belemmeren
    • Hij had de slang eerst afgeklemd en liet nu de vloeistof geleidelijk in de oplossing druppelen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.