afkick

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·kick

Werkwoord

vervoeging van
afkicken

afkick

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afkicken
    • ... dat ik afkick. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.