afhouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·hou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhouwen
hieuw af
afgehouwen
klasse 7 volledig

Werkwoord

afhouwen

  1. overgankelijk door houwen iets afscheiden
    • Met een slag van zijn zwaard hieuw hij zijn tegenstander de kop af. 
Vertalingen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.