afhouding

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·hou·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afhouding afhoudingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afhouding v [1]

  1. korting, vermindering, inhouding
    • Afhouding. Afhouden is zeker en algemeen gebruikelijk woord, waarvan zeer regelmatig afhouding: de daad van af te houden, kan afgeleid worden; van dat standpunt zou men dus kunnen zeggen: afhouding is in den zin van retenue (van een jaarwedde) niet per se fout. Doch hier is de quaestie een andere: een quaestie van gebruik. Moet een Noordnederlandsch ambtenaar op zijn jaarwedde een zeker percent verliezen, dan noemt hij dit percent korting en niet afhouding; korting is nu eenmaal het geijkte woord. [2] 
  2. (religie) het niet mogen deelnemen aan het Avondmaal in een protestantse kerk
    • in het eerste geval kan wegens gegeven ergernis de ‘eenvoudige’ afhouding van het Avondmaal, in afwachting van eventueel noodzakelijk blijkende verdere tuchtoefening, spoedig geschieden; in het tweede geval worde zoo lang mogelijk geduld geoefend, waarbij nauwkeurig moet worden toegezien hoe de betrokkene zich overigens in leer en leven gedraagt; [3] 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Het Belfort. Jaargang 10(1895) Taalpolitie.
  3. Geen duimbreed!(1936)–K. Schilder Een synodaal besluit inzake 't lidmaatschap van N.S.B. en C.D.U.
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be