afhameren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ha·me·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afhameren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhameren
hamerde af
afgehamerd
zwak -d volledig
  1. door een slag met een hamer aangeven dat er een beslissing is genomen
    • Crisis of niet. Het vat met Hollandse Nieuwe leverde donderdagavond bij de Almelose haringparty 4400 euro op. Veilingmeester Menno Knip kon het bedrag afhameren, nadat de drie gebroers Huzink tegen elkaar opboden. [2] 
  2. (figuurlijk) iets afsluiten door een beslissing te nemen
    • 'Zo'n premier heeft eigenlijk niks te doen', vertelde Zalm, nu demissionair vice-premier en minister van financiën, later met een knipoog. 'Wij ministers maken de dossiers, de minister-president hoeft alleen maar af te wachten totdat hij vrijdag in de ministerraad alles kan afhameren. De rest van de week heeft hij het eigenlijk niet zo geweldig druk.' [3] 
    • De voorzitter kon de bijeenkomst om even voor 03.00 uur afhameren. In totaal was er 18 uur vergaderd. 'Er wordt nu zelfs op slaap bezuinigd', knorde Elbert Dijkgraaf van de SGP. 'Halen we voor 03.00 vannacht de stemming, of is de wereld tegen die tijd al vergaan?' vroeg Henk Krol van 50Plus zich eerder vertwijfeld af. [4] 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.

Verwijzingen