afgrissen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·gris·sen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afgrissen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afgrissen
griste af
afgegrist
zwak -t volledig
  1. met een snelle beweging iets van iemand afnemen
Synoniemen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
38 % van de Vlamingen.


Verwijzingen