afgewind

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: afgewendafgewonden

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·wind
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen afgewind
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

afgewind

  1. met wind die van een bepaalde plaats wegblaast
    • In het zo landelijk gelegen boerendorpje had men de noodklok niet gehoord. Dit was alleszins verklaarbaar. Immers de N. W.- storm was voor die bewoners afgewind. [2]
Antoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen