afgevaardigde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·vaar·dig·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afgevaardigde afgevaardigden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afgevaardigde m

  1. iemand die verkozen of aangewezen is een groep of gebied in een vergadering te vertegenwoordigen
    • Hij is de afgevaardigde van de minister. 
Vertalingen

Deelwoord

afgevaardigde

  1. verbogen vorm van het voltooid deelwoord afgevaardigd van afvaardigen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen