afgaand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·gaand

Werkwoord

vervoeging van
afgaan

afgaand

  1. onvoltooid deelwoord van afgaan
stellend
onverbogen afgaand
verbogen afgaande
partitief afgaands

Bijvoeglijk naamwoord

afgaand

  1. naar beneden gaan, dalend
    • De skilift bewoog zich in afgaande richting. 
Synoniemen
Verwante begrippen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.