affiniteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·fi·ni·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verwantschap’ voor het eerst aangetroffen in 1553 [1]
  • afgeleid van het Franse affinité (met het achtervoegsel -iteit) [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord affiniteit affiniteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

affiniteit v

  1. een geestelijke verwantschap
    • Hoewel ze erg verschilden, hadden ze toch een grote affiniteit voor elkaar. 
    • Hij voelt een grote affiniteit met zijn nieuwe vriendin. 
    • Hij heeft een grote affiniteit met wiskunde .
  2. (scheikunde) de geneigdheid om verbindingen te vormen
    • Koper heeft een grote affiniteit voor zwavel. 
  3. (natuurkunde) de aantrekking die bij de aanraking van twee verschillende stoffen plaatsvindt
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen