affilieerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·fi·li·eer·de

Werkwoord

vervoeging van
affiliëren

affilieerde

  1. enkelvoud verleden tijd van affiliëren
    • Ik affilieerde. 
    • Jij affilieerde. 
    • Hij, zij, het affilieerde.