afdruk
Uiterlijk
- af·druk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afdruk | afdrukken |
| verkleinwoord | afdrukje | afdrukjes |
de afdruk m
- resultaat van het afdrukken op papier of ander materiaal
- De afdruk was erg mooi geworden.
- We zagen de afdruk van een voet in het zand.
- ▸ Maar nauwelijks was men in de achterafkantoortjes van de opwinding bekomen of ze realiseerden zich dat op de plek waar het portret gedurende drieëntwintig jaar had gehangen een witte rechthoek treurig afstak tegen een geel verschoten muur. Een paar klerken grepen de kans om in de afdruk een teken van onschuld te lezen.[2]
| vervoeging van |
|---|
| afdrukken |
afdruk
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afdrukken
- ... dat ik afdruk.
- Het woord afdruk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afdruk" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ afdruk op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %