afdruipen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·drui·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdruipen
ˈɑfdrœʏpə(n)
droop af
dropˈɑf
afgedropen
ˈɑfxəˈdropə(n)
klasse 2 volledig

Werkwoord

afdruipen

  1. ergatief het geleidelijke proces waarmee aangehecht vocht van een vast oppervlak valt
    • Het zeepsop droop langzaam van de borden af. 
  2. ergatief smadelijk weggaan
    • Er zat na die onverwacht felle tegenstand niet veel anders op dan af te druipen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.