afdrogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dro·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdrogen
droogde af
afgedroogd
zwak -d volledig

Werkwoord

afdrogen

  1. overgankelijk het vocht wegnemen van iets of iemand
    • Voor straf moest hij de vaat afdrogen. 
    • Na het zwemmen moet je je goed afdrogen. 
  2. overgankelijk op verpletterende wijze verslaan
    • Zij werden helemaal afgedroogd door het andere team. 
  3. overgankelijk (informeel) afranselen
    • Hij droogde de vervelende jongen helemaal af. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie