afdreggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dreg·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdreggen
dregde af
afgedregd
zwak -d volledig

Werkwoord

afdreggen

  1. overgankelijk systematisch de bodem van een water afzoeken met een baggeraar
    • De politie heeft op zoek naar het vermiste meisje tevergeefs het hele meer afgedregd. 

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be