afblijven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·blij·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afblijven
bleef af
afgebleven
klasse 1 volledig

Werkwoord

afblijven

  1. ergatief niet aanraken
    • Hij bleef met zijn vingers van het hete bord af. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie