afbijten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bij·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbijten
beet af
afgebeten
klasse 1 volledig

Werkwoord

afbijten [2]

  1. overgankelijk met de tanden verwijderen
  2. overgankelijk, (figuurlijk) iemand boos en kortaf toespreken
  3. overgankelijk met chemische middelen oplossen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: de spits afbijten / het spits afbijten [3]
als eerste ergens aan beginnen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen